Signalen doorgeven

Signalen doorgeven bij het inschakelen van hulp

Bij het vastleggen of doorgeven van informatie aan een sociale partner, zoals de GGZ, is het belangrijk dat de informatie zo objectief, concreet en letterlijk mogelijk is. De eerste stap is het concreet benoemen of beschrijven van wat je hebt gezien, gehoord en/of gevoeld. Vraag jezelf af: had een ander hetzelfde kunnen zien of ben ik aan het invullen wat er aan de hand kan zijn? Vervolgens meld je je observaties – en dus niet je eigen invulling ervan – aan de hulpverlenende instantie.

Do’s

  • Vertel wat iemand doet
  • Vertel wat iemand zegt
  • Vertel wat je verder nog ziet, hoort of ruikt (bijvoorbeeld: wat is de staat van de woning? Draagt iemand drie jassen over elkaar?).

Don’ts

  • Vage omschrijving geven, zoals ‘ik vermoed verward gedrag of een verslaving’
  • Diagnose stellen / oorzaken benoemen, zoals een psychose of een bipolaire stoornis.

Door alleen signalen door te geven op basis van concreet zichtbaar gedrag voorkom je een eigen interpretatie en laat je het inschatten van de te ondernemen acties over aan de daartoe bevoegde zorgprofessional. Op die manier voorkom je dat je een huurder onterecht in een bepaald hokje plaatst of ergens van ‘beschuldigt’ en krijgt de professional werkbare informatie, waardoor er eerder en beter hulp kan worden geboden.

 

Lees meer over informatiedeling in hoofdstuk 3 Wat betekent de nieuwe privacywet voor mij?